Burn out, niet aangetoond dat deze uit overbelasting voortkomt. LJN: BB2330,Sector kanton Rechtbank Haarlem , zaak/rolnr.: 343447 CV EXPL 07-1944
mijnletsel.nl - Letselpedia ProfessionalArbeidsrecht. Art. 7.658, 611, 681 BW. Werknemer, 54 jaar oud, 16 dienstjaren, bruto maandsalaris incl. vak. bijslag € 3.403,08, is na zware belasting op het werk ernstig ziek geworden. Enerzijds heeft hij een burn out opgelopen, anderzijds lijdt hij aan een aantal somatische ziektes (angina pectoris, oorsuizen, nierfalen, suikerziekte en jicht). Na aanvulling ziekengeld tot 100%, gedurende een jaar, heeft de werkgever de daarop toegekende WAO uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid nog een jaar lang aangevuld tot 100%. Daarna is de werknemer met ontslagvergunning ontslagen, onder toekenning van een aanvullende vergoeding van ongeveer 2 maandsalarissen. De Ktr. acht niet bewezen dat de blijvende arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door een te hoge werkdruk. Wel acht de ktr. de toegekende ontslagvergoeding te mager, waarna het ontslag kennelijk onredelijk wordt geoordeeld met een (op basois van de kantonrechtersformule berekende) toekenning van een aanvullende vergoeding van €18.200,18 bruto.
In het midden kan blijven of Honeywell inderdaad, zoals door [eiser] aangevoerd, is tekortgeschoten in het nakomen van haar in artikel 7.658 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verplichtingen, waar het betreft het nemen van voldoende maatregelen om te voorkomen dat [eiser] overspannen raakte (‘burn out’). Niet gebleken is immers dat de door [eiser] gestelde inkomensschade, die een gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid, is veroorzaakt in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden.
Hoewel niet aan redelijke twijfel onderhevig is dat [eiser] hard heeft gewerkt, en soms misschien wel te hard, volgt daaruit nog niet dat hij daardoor blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Om te beginnen moet het er gelet op het gestelde ziektebeeld, alsmede hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is verklaard, voor worden gehouden dat de resterende, blijvende arbeidsongeschiktheid voornamelijk een gevolg is van de somatische ziekten waaraan [eiser] lijdt, te weten oorsuizen (tinnitus) jicht, diabetes, nierfalen, hoge bloeddruk en angina pectoris. Als dat niet zo is, dan moet worden vastgesteld dat [eiser] dienaangaande niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatie- en stelplicht. Deze als somatisch aan te duiden aandoeningen worden naar huidig inzicht in medische zin niet door overmatige spanningen veroorzaakt, waaraan niet kan afdoen dat overmatige spanningen wel een risicofactor kunnen vormen bij het ontstaan en/of het verloop van bepaalde aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, net zoals overigens erfelijke aanleg, roken, drinken, voedingspatroon en gebrek aan beweging. Onduidelijk is verder wat er thans nog resteert aan psychische klachten en wat daarvan nu de precieze aard is. Dat klemt temeer omdat een ‘burn out', hoe ernstig ook, naar zijn aard van tijdelijke aard is en in de regel niet tot blijvende invaliditeit leidt. Daar komt nog bij dat onweersproken is gebleven dat [eiser] ten tijde van zijn ziekte-uitval met problemen in de thuissituatie kampte, hetgeen ook zeker stressbevorderend zal hebben gewerkt, hetgeen op zijn minst duidt op de reële mogelijkheid dat de psychische klachten in elk geval mede tot een niet werkgerelateerde oorzaak kunnen worden teruggevoerd. Samenvattend moet worden vastgesteld dat het in artikel 7.658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek vereiste causale verband tussen schade en werkzaamheden, waarvan [eiser] de bewijslast droeg, niet is komen vast te staan. Dienaangaande is ook geen, althans geen voldoende concreet en relevant bewijsaanbod gedaan. Nu het beroep op artikel 7.611 van het Burgerlijk Wetboek in het onderhavige geval tenslotte geen zelfstandige betekenis toekomt, moet worden geoordeeld dat de primaire grondslag van de vordering ondeugdelijk is en derhalve niet tot toewijzing daarvan kan leiden.
uitspraak
In het midden kan blijven of Honeywell inderdaad, zoals door [eiser] aangevoerd, is tekortgeschoten in het nakomen van haar in artikel 7.658 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verplichtingen, waar het betreft het nemen van voldoende maatregelen om te voorkomen dat [eiser] overspannen raakte (‘burn out’). Niet gebleken is immers dat de door [eiser] gestelde inkomensschade, die een gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid, is veroorzaakt in de uitoefening van de overeengekomen werkzaamheden.
Hoewel niet aan redelijke twijfel onderhevig is dat [eiser] hard heeft gewerkt, en soms misschien wel te hard, volgt daaruit nog niet dat hij daardoor blijvend arbeidsongeschikt is geworden. Om te beginnen moet het er gelet op het gestelde ziektebeeld, alsmede hetgeen daaromtrent ter terechtzitting is verklaard, voor worden gehouden dat de resterende, blijvende arbeidsongeschiktheid voornamelijk een gevolg is van de somatische ziekten waaraan [eiser] lijdt, te weten oorsuizen (tinnitus) jicht, diabetes, nierfalen, hoge bloeddruk en angina pectoris. Als dat niet zo is, dan moet worden vastgesteld dat [eiser] dienaangaande niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatie- en stelplicht. Deze als somatisch aan te duiden aandoeningen worden naar huidig inzicht in medische zin niet door overmatige spanningen veroorzaakt, waaraan niet kan afdoen dat overmatige spanningen wel een risicofactor kunnen vormen bij het ontstaan en/of het verloop van bepaalde aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten, net zoals overigens erfelijke aanleg, roken, drinken, voedingspatroon en gebrek aan beweging. Onduidelijk is verder wat er thans nog resteert aan psychische klachten en wat daarvan nu de precieze aard is. Dat klemt temeer omdat een ‘burn out', hoe ernstig ook, naar zijn aard van tijdelijke aard is en in de regel niet tot blijvende invaliditeit leidt. Daar komt nog bij dat onweersproken is gebleven dat [eiser] ten tijde van zijn ziekte-uitval met problemen in de thuissituatie kampte, hetgeen ook zeker stressbevorderend zal hebben gewerkt, hetgeen op zijn minst duidt op de reële mogelijkheid dat de psychische klachten in elk geval mede tot een niet werkgerelateerde oorzaak kunnen worden teruggevoerd. Samenvattend moet worden vastgesteld dat het in artikel 7.658 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek vereiste causale verband tussen schade en werkzaamheden, waarvan [eiser] de bewijslast droeg, niet is komen vast te staan. Dienaangaande is ook geen, althans geen voldoende concreet en relevant bewijsaanbod gedaan. Nu het beroep op artikel 7.611 van het Burgerlijk Wetboek in het onderhavige geval tenslotte geen zelfstandige betekenis toekomt, moet worden geoordeeld dat de primaire grondslag van de vordering ondeugdelijk is en derhalve niet tot toewijzing daarvan kan leiden.
uitspraak

