Pré existentie, Verlies van arbeidsvermogen, huishoudelijke hulp. LJN: BB3640, Rechtbank Arnhem 29-08-2007
mijnletsel.nl - Letselpedia ProfessionalLondon heeft aansprakelijkheid voor de schade van eiseres ten gevolge van het verkeersongeval van 10 juni 1997 erkend. Het geschil spitst zich daarom toe op de omvang van de door London aan eiseres te betalen schadevergoeding.
Verlies van Arbeidsvermogen
4.4. Het voorgaande neemt niet weg dat zich in de onderhavige zaak bij de begroting van het verlies van arbeidsvermogen (en overigens ook bij de begroting van de kosten van huishoudelijke hulp en het verlies van zelfwerkzaamheid) een aantal complicaties voordoet die maken dat naar het oordeel van de rechtbank de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Illustratief daarvoor is dat [eiseres] heeft gesteld geen zinvolle berekening van haar verlies van arbeidsvermogen te kunnen laten maken, omdat zij het met London over de uitgangspunten niet eens kon worden. Dat zij het daarover niet eens konden worden, wekt in dit geval geen verwondering. Ook de rechtbank ziet in het onderhavige geval te weinig mogelijkheden voor het (al dan niet met behulp van deskundigenberichten) vaststellen van met voldoende zekerheid vaststaande, nauwkeurige uitgangspunten ter bepaling van zowel de hypothetische inkomenssituatie als de feitelijke toekomstige inkomenssituatie om langs de gebruikelijke weg tot een zo concreet mogelijke benadering van deze schade te komen. Onder meer komt dat door het korte, sterk verbrokkelde arbeidsverleden van [eiseres] en de lichamelijke en psychische gezondheidsklachten waarmee zij - deels ook zonder het ongeval - blijkens de stukken kampte, kampt of naar redelijke verwachting in de toekomst zal kampen. Ook het in wezen nog steeds ontbreken van een medische eindtoestand omtrent het aan het ongeval toe te rekenen letsel speelt daarbij een rol. Daarbij komt dat sinds het ongeval inmiddels meer dan tien jaren zijn verstreken. Ook dat tijdsverloop staat aan nauwkeurige vaststelling van die uitgangspunten in de weg. Op grond van dit alles zal de rechtbank met gebruikmaking van haar bevoegdheid daartoe (art. 6:97 BW) een beredeneerde schatting maken van deze schade.
Huishoudelijke hulp
4.21. Voor de onderhavige schadepost geldt in wezen hetzelfde als hiervoor met betrekking tot het verlies van arbeidsvermogen is overwogen en beslist: een concrete schadebegroting langs de gebruikelijke weg is niet goed mogelijk en daarom zal de schade zo goed mogelijk worden geschat. Daarbij zal het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] voor het ongeval wegens lichamelijke (of psychische) klachten was aangewezen op huishoudelijke hulp. Direct na het ongeval was dat wel het geval, in het begin, in haar revalidatieperiode, wat meer dan later. Geabstraheerd wordt van de omstandigheid dat [eiseres] niet steeds daadwerkelijk kosten voor huishoudelijk hulp heeft gemaakt omdat zij de middelen daartoe niet steeds bezat. Dat die behoefte er is en was - mede gelet op de woonsituatie van [eiseres], met een vaak afwezige partner en veel huisdieren - is tot op zekere hoogte voldoende aannemelijk. Het (met stukken onderbouwde) bedrag dat [eiseres] heeft gevorderd voor de periode vanaf 13 juni 1997 tot en met 1998 - EUR 1.170,75 - komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal worden toegewezen. Vanaf ongeveer 1999 waren er ook de (niet-ongevalsgerelateerde) knieklachten en later de maagoperatie. Gelet op het voorgaande is het redelijk ervan uit te gaan dat [eiseres] ook zonder het ongeval in enige mate behoefte zou hebben gehad aan huishoudelijk hulp. Het enkelbandletsel dat [eiseres] in 2001 na een val heeft opgelopen wordt niet ten nadele van haar meegewogen, omdat - zo volgt uit hetgeen zij daarover ter comparitie heeft verklaard - mogelijk het ongevalsletsel die val (mede) heeft veroorzaakt. Alles overziend is het redelijk met ingang van 1999 uit te gaan van een hulpbehoefte van, naar schatting, 2 uren per week. Tot en met 2002 gaat [eiseres] uit van een uurtarief van (omgerekend en afgerond) EUR 5,50 per uur, hetgeen niet onredelijk is. Op basis van 48 weken huishoudelijk hulp per jaar - eveneens een aanvaardbaar uitgangspunt - bedraagt de schade over die periode op jaarbasis EUR 528,00 (2 uren x EUR 5,50 x 48 weken), dus tot en met 2002 (4 jaren) EUR 2.112,00. Voor de periode 2003 tot en met 2005 gaat [eiseres] uit van EUR 6,50 per uur, eveneens een marktconform bedrag. De schade over die periode bedraagt dan EUR 1.872,00. Voor de jaren daarna gaat [eiseres] uit van een uurtarief van EUR 7,50. Ook dat is niet onredelijk. De schade over 2006 bedraagt op grond daarvan EUR 720,00 (2 uren x EUR 7,50 x 48 weken) en die over de eerste acht maanden van 2007 EUR 480,00 (8/12 x EUR 720,00). In de lichamelijke gezondheidstoestand van [eiseres], die ook zonder ongeval naar redelijke verwachting niet optimaal zou zijn, ziet de rechtbank aanleiding de looptijd van deze schadepost voor de toekomst te beperken tot het 60e levensjaar van [eiseres]. Uitgaande van de hiervóór berekende jaarschade en de gebruikelijke rekenrente van 3% en rekeninghoudend met de statistische sterftekansen van [eiseres] en de fiscale component komt de toekomstige schade, gekapitaliseerd per 1 september 2007, neer op een bedrag van (afgerond) EUR 11.485,00.
uitspraak
Verlies van Arbeidsvermogen
4.4. Het voorgaande neemt niet weg dat zich in de onderhavige zaak bij de begroting van het verlies van arbeidsvermogen (en overigens ook bij de begroting van de kosten van huishoudelijke hulp en het verlies van zelfwerkzaamheid) een aantal complicaties voordoet die maken dat naar het oordeel van de rechtbank de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Illustratief daarvoor is dat [eiseres] heeft gesteld geen zinvolle berekening van haar verlies van arbeidsvermogen te kunnen laten maken, omdat zij het met London over de uitgangspunten niet eens kon worden. Dat zij het daarover niet eens konden worden, wekt in dit geval geen verwondering. Ook de rechtbank ziet in het onderhavige geval te weinig mogelijkheden voor het (al dan niet met behulp van deskundigenberichten) vaststellen van met voldoende zekerheid vaststaande, nauwkeurige uitgangspunten ter bepaling van zowel de hypothetische inkomenssituatie als de feitelijke toekomstige inkomenssituatie om langs de gebruikelijke weg tot een zo concreet mogelijke benadering van deze schade te komen. Onder meer komt dat door het korte, sterk verbrokkelde arbeidsverleden van [eiseres] en de lichamelijke en psychische gezondheidsklachten waarmee zij - deels ook zonder het ongeval - blijkens de stukken kampte, kampt of naar redelijke verwachting in de toekomst zal kampen. Ook het in wezen nog steeds ontbreken van een medische eindtoestand omtrent het aan het ongeval toe te rekenen letsel speelt daarbij een rol. Daarbij komt dat sinds het ongeval inmiddels meer dan tien jaren zijn verstreken. Ook dat tijdsverloop staat aan nauwkeurige vaststelling van die uitgangspunten in de weg. Op grond van dit alles zal de rechtbank met gebruikmaking van haar bevoegdheid daartoe (art. 6:97 BW) een beredeneerde schatting maken van deze schade.
Huishoudelijke hulp
4.21. Voor de onderhavige schadepost geldt in wezen hetzelfde als hiervoor met betrekking tot het verlies van arbeidsvermogen is overwogen en beslist: een concrete schadebegroting langs de gebruikelijke weg is niet goed mogelijk en daarom zal de schade zo goed mogelijk worden geschat. Daarbij zal het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] voor het ongeval wegens lichamelijke (of psychische) klachten was aangewezen op huishoudelijke hulp. Direct na het ongeval was dat wel het geval, in het begin, in haar revalidatieperiode, wat meer dan later. Geabstraheerd wordt van de omstandigheid dat [eiseres] niet steeds daadwerkelijk kosten voor huishoudelijk hulp heeft gemaakt omdat zij de middelen daartoe niet steeds bezat. Dat die behoefte er is en was - mede gelet op de woonsituatie van [eiseres], met een vaak afwezige partner en veel huisdieren - is tot op zekere hoogte voldoende aannemelijk. Het (met stukken onderbouwde) bedrag dat [eiseres] heeft gevorderd voor de periode vanaf 13 juni 1997 tot en met 1998 - EUR 1.170,75 - komt de rechtbank niet onredelijk voor en zal worden toegewezen. Vanaf ongeveer 1999 waren er ook de (niet-ongevalsgerelateerde) knieklachten en later de maagoperatie. Gelet op het voorgaande is het redelijk ervan uit te gaan dat [eiseres] ook zonder het ongeval in enige mate behoefte zou hebben gehad aan huishoudelijk hulp. Het enkelbandletsel dat [eiseres] in 2001 na een val heeft opgelopen wordt niet ten nadele van haar meegewogen, omdat - zo volgt uit hetgeen zij daarover ter comparitie heeft verklaard - mogelijk het ongevalsletsel die val (mede) heeft veroorzaakt. Alles overziend is het redelijk met ingang van 1999 uit te gaan van een hulpbehoefte van, naar schatting, 2 uren per week. Tot en met 2002 gaat [eiseres] uit van een uurtarief van (omgerekend en afgerond) EUR 5,50 per uur, hetgeen niet onredelijk is. Op basis van 48 weken huishoudelijk hulp per jaar - eveneens een aanvaardbaar uitgangspunt - bedraagt de schade over die periode op jaarbasis EUR 528,00 (2 uren x EUR 5,50 x 48 weken), dus tot en met 2002 (4 jaren) EUR 2.112,00. Voor de periode 2003 tot en met 2005 gaat [eiseres] uit van EUR 6,50 per uur, eveneens een marktconform bedrag. De schade over die periode bedraagt dan EUR 1.872,00. Voor de jaren daarna gaat [eiseres] uit van een uurtarief van EUR 7,50. Ook dat is niet onredelijk. De schade over 2006 bedraagt op grond daarvan EUR 720,00 (2 uren x EUR 7,50 x 48 weken) en die over de eerste acht maanden van 2007 EUR 480,00 (8/12 x EUR 720,00). In de lichamelijke gezondheidstoestand van [eiseres], die ook zonder ongeval naar redelijke verwachting niet optimaal zou zijn, ziet de rechtbank aanleiding de looptijd van deze schadepost voor de toekomst te beperken tot het 60e levensjaar van [eiseres]. Uitgaande van de hiervóór berekende jaarschade en de gebruikelijke rekenrente van 3% en rekeninghoudend met de statistische sterftekansen van [eiseres] en de fiscale component komt de toekomstige schade, gekapitaliseerd per 1 september 2007, neer op een bedrag van (afgerond) EUR 11.485,00.
uitspraak

