Letselpedia Professional doorzoeken

Feedback

Heeft u een reactie op deze pagina, een vraag, of een opmerking, aarzel dan niet hier een reactie aan ons achter te laten. U bent niet verplicht een email adres in te vullen.

print deze pagina

Vordering paardrijdster tegen manege, Buitengerechtelijke kosten, LJN: BA7624, Hoge Raad , C06/105HR, 21-09-2007

mijnletsel.nl - Letselpedia Professional
Aansprakelijkheidsrecht; vordering slachtoffer paardrijdongeval tegen manege. Buitengerechtelijke kosten, matiging bij vermindering van primaire schadevergoedingsplicht wegens eigen schuld; verhouding tussen redelijkheidstoets art. 6:96 lid 2 en billijkheidscorrectie art. 6:101 lid 1 BW.

(i) [Eiseres] heeft, rijdend op een paard van [verweerder] en onder begeleiding van een instructrice van [verweerder], een buitenrit gemaakt.
(ii) Tijdens deze rit is [eiseres], nadat het paard was geschrokken en in galop was gegaan, ten val gekomen. [Eiseres] heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen.
(iii) [Verweerder] is voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij Interpolis. Deze heeft aansprakelijkheid voor [verweerder] als bezitter van het paard erkend, maar tevens te kennen gegeven ervan uit te gaan dat sprake is van 50% "eigen schuld" aan de zijde van [eiseres], zodat zij slechts bereid is de helft van de geleden schade te vergoeden. [Eiseres] is hiermee - onder een in cassatie niet terzake doend voorbehoud - akkoord gegaan.
(iv) Tussen partijen is vervolgens onenigheid ontstaan over de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [Eiseres] neemt het standpunt in dat deze kosten volledig dienen te worden vergoed. Interpolis wil niet meer dan 50% van die kosten vergoeden.

3.2 De kantonrechter heeft, ervan uitgaande dat aan [eiseres] toe te rekenen omstandigheden voor 50% hebben bijgedragen aan de door haar geleden ongevalschade, geoordeeld dat [verweerder] slechts de helft van de door [eiseres] gemaakte kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW behoeft te vergoeden. Het hof heeft de tegen dit oordeel gerichte grieven van [eiseres] verworpen.

3.3 Bij de behandeling van de klachten van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Het hof is in zijn rov. 4.4 en 4.5 klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat wanneer een schadevergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW wordt verminderd, ook de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden in beginsel in dezelfde mate wordt verminderd, zij het dat de billijkheidscorrectie van het slot van art. 6:101 lid 1 kan meebrengen dat de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 bedoelde kosten te vergoeden niet, of niet in gelijke mate als de primaire schadevergoedingsplicht, wordt verminderd. Dit uitgangspunt is juist.

Hoge Raad

2.5 Uit het slot van lid 1 van artikel 6:101 BW blijkt dat van de verdeling van de schade conform de hoofdregel in dat lid dient te worden afgeweken, indien "de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist" (de billijkheidscorrectie).
Uit wetsystematisch oogpunt gezien, zal men, indien men het resultaat van de toepassing van de hoofdregel op - op zichzelf redelijk geachte - buitengerechtelijke kosten wil corrigeren, die correctie met behulp van deze billijkheidscorrectie dienen uit te voeren. Zoals ook uit de formulering van de billijkheidscorrectie in lid 1 blijkt, hangt het sterk van de omstandigheden van het geval af of en, zo ja, in welke mate het resultaat van de toepassing van de hoofdregel op de buitengerechtelijke kosten dient te worden gecorrigeerd. Vanwege de grote rol die de omstandigheden van het concrete geval spelen, is het niet doenlijk hier stellige regels te geven. Dit geldt ook voor het corrigeren van de hoofdregel bij buitengerechtelijke kosten. Wel laat zich een richtsnoer formuleren. Naar mate het ontstaan en oplopen van buitengerechtelijke kosten meer valt toe te schrijven aan een niet juist blijkende, afwijzende houding van A ten aanzien van de vergoedbaarheid van de initiële schade, wordt het redelijker om de buitengerechtelijke kosten van B voor een hoger percentage te vergoeden dan overeenkomt met het percentage dat uit de hoofdregel voortvloeit. Immers, de band van de buitengerechtelijke kosten met de bijdrage van B aan het ontstaan van de initiële schade en daarmee de rechtvaardigingsgrond voor het verdelen van ook de buitengerechtelijke kosten op de voet van ieders bijdrage aan de initiële schade wordt daardoor relatief minder sterk((10)). Indien de opstelling van A duidelijk onredelijk is, kan dat extra gewicht te zijnen nadele in de schaal leggen. Door een aantal in noot 8 genoemde auteurs wordt deze correctie van de draagplicht van de buitengerechtelijke kosten ook bepleit, zij het dat de standpunten wel enigszins uiteenlopen voor wat betreft de voorwaarden waaronder en de mate waarin de correctie dient te worden uitgevoerd. S.D. Lindenbergh (t.a.p., blz. 26) is van mening dat de buitengerechtelijke kosten reeds geheel voor rekening van A dienen te komen, zodra B van de aanvang af slechts vergoeding vordert van dat gedeelte van de initiële schade waarop hij met inachtneming van zijn 'eigen schuld' recht heeft. F.Th Kremer (t.a.p., blz. 30) acht een op de 'eigen schuld' afgestemde partiële vergoeding van de buitengerechtelijke kosten niet op zijn plaats, indien na een afwijzing van een verzoek om schadevergoeding de benadeelde dankzij de kosten weet te bereiken dat dat gedeelte van schade wordt vergoed dat niet in verband met zijn 'eigen schuld' voor zijn rekening dient te blijven. In die zin ook A.R. Bloembergen (t.a.p., § 2.5) en P.J.H. Houben (t.a.p., blz. 15).



uitspraak

Begrippen die naar deze pagina verwijzen:

Dit item is voor het laatst bijgewerkt op zaterdag 22 september 2007 om 10:06:22.